08 dec

Inzet vakbonden CAO onderhandelingen

Inzet vakbonden CAO onderhandelingen

Naar aanleiding van de ophaalsessie voor jouw CAO-NU van 9 november jl. bijgaand het FNV concept voor een gezamenlijke inzet van de vakbonden voor de nieuwe cao. Het concept is gebaseerd op de ophaalsessie die wij 9 november jl. gehouden hebben en getoetst aan de input van de collega onderhandelaars aan de cao-tafel.

Inzet:
• Loonverhoging van 5%
• Verhoging van het minimum uurloon naar 14 euro
• Afspraken over werkdruk
• Duurzame inzetbaarheid: waaronder pilot vitaliteitspact,
100 weken pensioensparen, Werk en privé
• Meer vaste banen en tijdelijke contracten terug brengen

Klik voor meer informatie op onderstaande link.

CONCEPT FNV voor GEZAMENLIJKE INZET VAKBONDEN CAO NU 2021

11 jun

Save the date: 27 juni: FNV-lunchbijeenkomst over vitaliteitspact

Na je 62ste minder werken om vitaal je pensioen te halen? Wil je daarover meer weten? Kom dan donderdag 27 juni naar de lunchbijeenkomst over het vitaliteitspact, georganiseerd door FNV VU met medewerking van HRM.

Graag bij Régine Anmuth, fnv.vakbondsfunctionaris@vu.nl, in verband met de catering.

Tijd/plaats: donderdag 27 juni, 12.00-13.30 uur, in BV-0 H21 , Bellevue

 

 

05 feb

Waarom het onderwijs miljarden nodig heeft

Nederland, een welvarend land, geeft per deelnemer aan het onderwijs, steeds minder uit. Het kabinet vindt dat er al genoeg extra geld naar het onderwijs gaat, maar heeft het niet over het inlopen van alle achterstanden.

‘Het onderwijs is de sector die er deze kabinetsperiode het meeste bij krijgt’, is de reactie van het ministerie van Onderwijs op de actie-aankondiging van FNV Onderwijs en Onderzoek en AOb. Het is een verhaal dat het kabinet Rutte III al vanaf de start volhoudt. Maar is dat genoeg om alle opgelopen achterstanden in te lopen? Bovendien geldt die genoemde extra investering alleen voor het Primair Onderwijs.

Te rooskleurige voorstelling

In het rapport ‘Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden’ van juli 2018 vindt de Onderwijsraad in elk geval dat het kabinet de zaken te rooskleurig voorstelt. ‘Volgens de jaarverslagen van het ministerie zijn de uitgaven per deelnemer de laatste jaren in alle onderwijssectoren gestegen. Die stijging is het grootst in het funderend onderwijs, waar juist de meeste geluiden klinken over ontoereikende middelen. Als we kijken naar de uitgaven per deelnemer zoals berekend door het CBS zien we voor het primair en voortgezet onderwijs echter geen stijging in de rijksbijdragen per leerling en lijkt geen sprake te zijn van algeheel stijgende uitgaven door de overheid.’

Exacte cijfers geven somber beeld

Voor de Onderwijsraad was het reden om zelf aan het rekenen te slaan en de raad komt op basis daarvan tot hele andere conclusies. ‘Alleen voor het middelbaar beroepsonderwijs zien we een consistente stijging over tijd. De andere sectoren laten een stabiele of zelfs (licht) dalende trend zien over de afgelopen jaren.’ Kijken we naar de exacte cijfers, dan is het beeld  zelfs somberder te noemen.

Bron: Onderwijsraad 2018

Daling van 4 tot 8%

Met uitzondering van het mbo is er in alle onderwijssectoren een flinke daling tussen 2009 en 2016 per deelnemer. Het gaat -gecorrigeerd voor inflatie- om een daling van 4 tot 8% in de meeste sectoren. De reden daarvoor kennen we ook: in vrijwel die hele periode gold voor de salarissen in het onderwijs de nullijn. Samen met alle eerdere ingrepen in de salarissen is het onderwijspersoneel in 20 jaar rond de 4,7 miljard euro misgelopen, zo blijkt uit het rapport ‘Evaluatie referentiemodel’ van het ministerie van Binnenlandse Zaken uit juli 2017.

‘En al gaat het om cijfers achter de komma, het gaat om grote bedragen’

Welvaart en uitgaven voor onderwijs

Maar dat beeld gaat over de periode tot deze huidige coalitie aantrad. Recentere betrouwbare cijfers per deelnemer zijn er niet, maar wel cijfers over wat Nederland overheeft voor onderwijs ten opzichte van onze welvaart, het bruto binnenlands product (bbp). Cijfers die ook de internationale economische denktank Oeso gebruikt. We pakken daarvoor de meerjarige kerncijfers van het Centraal Plan Bureau (CPB) over de afgelopen tien jaar.

% onderwijs ten opzichte van het bruto binnenlands product (bbp)

  • 2009 – 5,5
  • 2010 – 5,5
  • 2011 – 5,4
  • 2012 – 5,3
  • 2013 – 5,3
  • 2014 – 5,3
  • 2015 – 5,3
  • 2016 – 5,3
  • 2017 – 5,2
  • 2018 – 5,1
  • 2019 – 5,0

Bron: CPB kerncijfers en MEV 2019

De CPB-cijfers ondersteunen het beeld dat de Onderwijsraad voor een kortere periode beschrijft: als land hebben we steeds minder over voor onderwijs. En al gaat het om cijfers achter de komma, het gaat om grote bedragen. 0,1% minder voor onderwijs, betekent 700 miljoen euro minder. Een half procent minder in 10 jaar is dus 3,5 miljard euro minder.

CPB weinig optimistisch over 2019

Het CPB is bovendien weinig optimistisch over 2019 en ziet in de Meerjarig Economische Verkenning (MEV) voor 2019 ondanks de investering van dit kabinet in onderwijs, het aandeel onderwijs ten opzichte van de welvaart verder dalen. Onderwijs krijgt er in 2018 dan misschien in absolute getallen het meeste bij, maar in verhouding is dat onvoldoende om de onderwijsuitgaven op peil te houden.

12 jun

Onderhandelaarsakkoord CAO

Op 31 mei 2018 hebben de Vereniging van Universiteiten (VSNU) en de vier vakbonden een akkoord over een nieuwe cao bereikt.

De looptijd van de cao is van 1 juli 2017 tot en met 31 december 2019 en het akkoord bevat onder andere afspraken over meer perspectief voor junior docenten en postdocs, mobiliteit en duurzame inzetbaarheid van ondersteunend personeel, een vitaliteitspact en een structurele loonsverhoging.

Het akkoord is tot stand gekomen in een goede samenwerking tussen de werkgevers en werknemerspartijen, waar het uitgangspunt is geweest om gezamenlijk te kijken naar de behoeften van de sector en de medewerkers. De belangrijkste elementen in het akkoord:

– Structurele plus eenmalige loonsverhoging: op 1 mei 2018 worden de salarissen van universitaire werknemers die een dienstverband bij een Nederlandse Universiteit hebben, structureel met 2,0% verhoogd. Op 1 februari 2019 worden de salarissen structureel met 2,6% verhoogd. Daarnaast ontvangen universitaire werknemers, die op 1 mei 2018 een dienstverband bij een Nederlandse Universiteit hebben uiterlijk in september 2018 een eenmalige uitkering van bruto 0,6% van het jaarsalaris.

– Meer perspectief voor junior docenten en postdocs: junior docenten krijgen een langer durend (4-6 jaar) eenmalig contract aangeboden. Hiermee zal het aandeel kortdurende contracten verder dalen. Voor junior docenten met onderwijsambities wordt de doorstroom naar een baan in een van de andere onderwijssectoren gefaciliteerd. Daarnaast zetten partijen zich in om deze junior docenten versneld een onderwijsbevoegdheid te laten behalen. Voor junior docenten met wetenschappelijke ambities wordt de mogelijkheid gecreëerd van een combinatiefunctie van junior docent en onderzoeker met een eenmalig tijdelijk dienstverband van in principe zes jaar. De docent behaalt deze periode de basis kwalificatie onderwijs (BKO) en wordt geacht een PhD met succes af te ronden. Voor postdocs is afgesproken te onderzoeken hoe hun perspectief en werkzekerheid op de arbeidsmarkt versterkt kan worden.

– Mobiliteit en duurzame inzetbaarheid ondersteunend personeel: de cao-partijen verankeren ‘een leven lang leren’ in het loopbaantraject voor ondersteunende functies. De norm wordt dat iedere ondersteunende medewerker die binnen de cao een vast dienstverband heeft, zijn functie uitoefent voor een periode van maximaal 4 tot 6 jaar. Gedurende deze periode ontwikkelen medewerkers zich richting een volgende stap in hun loopbaan.

– Vitaliteitspact: universiteiten maken het mogelijk om vanaf 5 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd 0,2 fte of 0,4 fte minder te gaan werken (bij een volledige arbeidsduur) tegen een beloning van 85% resp. 70% van het oorspronkelijke salaris, met behoud van de volledige pensioenopbouw. De regeling wordt vooralsnog voor een beperkte periode ingevoerd, vanaf 1 januari 2019 tot en met 1 juli 2020.

Naast bovengenoemde elementen zijn er ook afspraken gemaakt over de implementatie van werkdrukplannen, de verlenging van aanstellingen van promovendi die te maken krijgen met zwangerschap of ouderschapsverlof en een pilot ombudsman bij minimaal drie universiteiten.

 (Uiterlijk per 30 juni aanstaande besluiten de partijen – na het raadplegen van hun achterbannen – of dit akkoord wordt omgezet in een definitief akkoord.)